Geschiedenis

Tussen 1650 en 1675 was het een zekere Willem Everwijn († 1673) die, naar het zich laat aanzien, planmatig een groot aantal boerderijen, grond en weidevelden aankocht aan beide zijden van de IJssel. Aan de westzijde de vlek De Steeg. Willem woonde in Arnhem, waar hij het ambt van ontvanger van convooien en licenten bekleedde, een in- en uitvoertol die door de Staten Generaal overal aan de grenzen van de republiek der Verenigde Nederlanden werd geheven. Naar alle waarschijnlijkheid was hij een bekwaam financieel expert en administrateur, want in 1661 werd hij tot lid van het bestuur van de Arnhemse St. Nicolai-broederschap gekozen. Twee jaar later wordt hij zelfs verkozen tot huismeester van deze in goeden doen verkerende broederschap, een functie die hem het toezicht gaf over de bezittingen van de broederschap, welke tot op de dag van vandaag nog bestaat.

Ook in de liefde toonde hij zich iemand die weloverwogen te werk ging. Hij huwde Johanna Kelffken, één van de dochters van de heer Doctor utriusque juris Johan Kelffken († 1652). Johan Kelffken was raadsheer (en in de laatste vijf maanden van zijn leven feitelijk president) van het hooggerechtshof van het vorstendom Gelre en van de Graafschap Zutphen tot Arnhem. Door dit huwelijk steeg Willem Everwijn enorm in aanzien, want de familie Kelffken behoorde zowel in Nijmegen als in Arnhem tot de regenten- of patriciërsfamilies. Sinds de 16e eeuw zijn vele leden van deze families in deze beide hoofdsteden van Gelderland lid van de Gemeenteraad en daaruit voortvloeiend burgemeester en schepen geweest.

Waarschijnlijk is dit huwelijk voor Willem in financieel opzicht zozeer voordelig geweest, dat hij ook daardoor in staat was om zijn systematische grondaankoop-politiek in De Steeg, Rheden en omgeving te kunnen bekostigen. Als grootgrondbezitter ter plaatse werd hij in de zestiger jaren van de 17e eeuw tot Holzrichter der Waldmarkengenossenschaft van de Rhedense bossen gekozen. Een functie die hem opnieuw de mogelijkheid gaf zijn grondbezit uit te breiden. Misschien heeft hij toen al plannen gehad op deze plaats een huis te bouwen. Daar is het echter niet van gekomen: Willem Everwijn stierf op 29 september 1673.

Later, in 1698 trouwde zijn oudste dochter Nalida Everwijn (1661-1737), de enige van zijn drie dochters die huwde, met Hendrik Brantsen (1665-1742). Het complete grondbezit van haar vader in De Steeg en omgeving bracht zij bij haar huwelijk in. Hendrik Brantsen, sinds 1705 burgemeester van Arnhem, stamde ook uit een Arnhems regenten- en magistratenfamilie die steenrijk was. Net als zijn schoonvader beijverde ook hij er zich om zijn grondbezit in en westelijk van De Steeg uit te breiden en te verbeteren.

Zijn tweede zoon Willem Reynier Brantsen (1701-1789) erfde na de dood van zijn vader diens complete landbezit in Rheden en De Steeg. Ook zijn beide broers erfden een qua oppervlak bijna gelijk grondgebied. Willem Reynier Brantsen, een gepromoveerd jurist, werd in 1735 ook burgemeester van Arnhem werd en twee jaar later raadsheer bij het provinciale gerechtshof. Hij wijdde zich zijn leven lang aan zijn grootste hobby: wetenschappelijk onderzoek. Dat was zijn belangrijkste vrijetijdsbesteding; hij is nooit getrouwd geweest. Willem Reynier Brantsen maakte een grondige studie van alle – hoofdzakelijk buitenlandse – literatuur op het gebied van bosbouw en besloot al snel na de dood van zijn vader zijn kennis op dit gebied in daden om te zetten, toen hij zich voornam om nieuwe bosaanplant op zijn bezit uit te voeren. In het begin wendde hij zich tot de vermaarde bouwmeester, decorateur en tuinarchitect Jacob Marot, zoon van de beroemde Daniel Marot. Hij zond hem verschillende, in het archief van de familie bewaard gebleven, ontwerpen van parken in ‘klassiek’ Franse stijl more geometrico toe. Centraal in dit park lag het huis dat in de jaren 1746 en 1747 daadwerkelijk werd gebouwd door Willem Reynier Brantsen op de plaats waar het zich nu bevindt. Op een heuvel, genaamd Stickenberg, waar een vervallen boerderij stond genaamd Stickhuysen.

Het toentertijd gebouwde huis omvatte eigenlijk alleen het middelste deel van het huidige pand en was veel eenvoudiger van opzet. Het was een rechthoekig, twee verdiepingen tellend gebouw, met voor- en achterdeur in het midden; links en rechts door twee tamelijk hoge ramen geflankeerd, met op de bovenverdieping aan de voor- en achterzijde telkens vijf rechthoekige raampartijen. Een dak zonder ramen en in de beide zijmuren op elke verdieping slechts twee ramen, waaruit zich laat herleiden, dat het toenmalige huis veel smaller was. Zijn huidige vorm heeft Rhederoord dan ook aan meerdere verbouwingen in de 19e en 20e eeuw te danken.

In de grond van de zaak vond Willem Reynier Brantsen het huis minder belangrijk dan de aanleg van het park er omheen. Of met de aanleg van het park naar het ontwerp van Marot ook daadwerkelijk is begonnen, is niet duidelijk. Vast staat in ieder geval dat de inzichten van Brantsen met betrekking tot de parkaanleg in de 2e helft van de 18e eeuw volledig zijn gewijzigd. In zijn privé archief bevinden zich verschillende ontwerpen van tuin- en landschapsarchitecten uit deze periode, die een compleet andere sfeer ademen: geen klassiek aandoende Franse aanleg, die de natuur geometrische vormen, zoals vierkante, rechthoekige, driehoekige en cirkelvormige figuren opdringen, maar veel meer ontwerpen in vrije, ongedwongen Engelse landschapsstijl: boompartijen met groene weidevelden afgewisseld met slingerende paden. Dat deze vorm ook daadwerkelijk werd gerealiseerd bewijst de huidige vormgeving van het park, hoewel intussen tot 12 ha. ingekrompen, nog steeds. De vraag blijft, waarom Willem Reynier tot deze verandering in zijn denken is gekomen. Zoals gezegd was wetenschappelijk onderzoek zijn grootste hobby en daadwerkelijk werd in de tweede helft van de 18e eeuw de Engelse landschapsstijl tot de nieuwste mode. Tegen het einde van de 18e eeuw waren er in Gelderland al zo’n vijftien kastelen en landgoederen waar zich een dergelijk modern park bevond. Willem Reynier Brantsen is duidelijk één van de pioniers van deze nieuwe richting geweest. Vast staat in elk geval dat stadhouder Willem V hem in 1768 als expert consulteerde toen hij de bos- en parkaanleg bij zijn jachtslot in het naburige Dieren wilde veranderen en moderniseren. Al in de laatste 25 jaar van de 18e eeuw mocht Rhederoord zich een bekende en gerenommeerde bezienswaardigheid noemen. Dit was niet in de eerste plaats aan het huis te danken, maar veel meer aan het schitterende uitzicht op het IJsseldal – westelijk van het huis was een verhoogd terras van waaruit men van het prachtige vergezicht kon genieten – en verder van het park met zijn veelsoortige exoten.

Tot 1911 bleef Rhederoord in handen van de familie Brantsen, hoewel het landgoed meermaals in andere takken van de familie vererfde. In 1911 werd het landgoed door N.J.H. van Hasselt aangekocht. In 1919 nam de laatste particuliere bewoner, de familie van Heeckeren van Kell, haar intrek in het landhuis. In de jaren twintig van deze eeuw werd het meest westelijke deel van het park door de gemeente Rheden voor woningbouwdoeleinden aangekocht. Daar ontstond in de jaren dertig de landelijke villawijk ‘Rozenbosch’. Het overige deel, met uitzondering van de 12 ha. die bij het huis behoren, viel gelukkigerwijze aan de Vereniging Natuurmonumenten toe. Tussen 1953 tot 1977 was het landgoed verhuurd aan een internationale school. In 1977 werd Landgoed Rhederoord verkocht aan de Nederlands Christelijke Gemeenschapsbond en diende als conferentie en vakantieoord. Vanaf 2004 is het landgoed particulier eigendom.